Bezit door overtuiging en gebruik grond voor een muur?

Print Friendly, PDF & Email

Ben je bezitter als je er zelf volledig van overtuigd bent dat je eigenaar bent en de grond die je gebruikt is afgescheiden met een muur? Nee, oordeelde het Gerechtshof ’s Hertogenbosch. Het hof licht in haar arrest van 9 juli 2019 op heldere wijze toe dat de eigen overtuiging van een gebruiker irrelevant is voor de vraag of sprake is van bezit. Bovendien oordeelt het hof dat een muur die het in gebruik genomen perceel afscheidt niet tot bezit kan leiden, indien deze niet geplaatst is door de grondgebruiker (of zijn rechtsvoorganger(s)). In dit artikel worden de overwegingen van het hof besproken.

Overtuiging van bezit

Gebruikers van grond gaan er vaak vanuit dat zij bezitter zijn van álle vierkante meters die zij gebruiken. In de meeste gevallen is dit ook zo, maar niet altijd. Soms wordt niet alleen het eigen perceel, maar ook een aangrenzende grondstrook gebruikt die aan iemand anders toebehoort, zoals een buurman of de gemeente. Als iemand andermans strook grond langdurig in gebruik heeft, is het voorstelbaar dat de gebruiker er op een gegeven moment van overtuigd is dat hij deze strook grond in bezit heeft. Zijn gebruik duurt immers al jaren voort en de strook grond behoort visueel tot zijn eigen perceel. De overtuiging valt nog beter te begrijpen indien de werkelijke eigenaar de grondstrook nooit gebruikt of betreedt. Dit is bijna altijd het geval wanneer gemeentegrond in gebruik wordt genomen.

Interne wil onvoldoende voor bezit

In de zaak die speelde bij het hof deed de gebruiker een beroep op verjaring omdat hij er volledig van overtuigd was dat hij de grondstrook van zijn achterbuurman in bezit had. In deze zaak was de grondgebruiker er niet zonder reden van uitgegaan dat hij bezitter was. De buurman van de gebruiker bouwde in de jaren ’70 een muur die diende als erfafscheiding. De buurman plaatste de muur echter een halve meter van de erfgrens af, op zijn eigen perceel. De grondstrook achter de muur werd daarna niet meer door de buurman gebruikt. Sterker nog, de buurman kon zijn eigen grondstrook praktisch niet meer betreden vanwege de muur.

Vanaf dat moment werd de grondstrook achter de muur gebruikt door de achterbuurman als verlengstuk van zijn tuin. De gebruiker plaatste zelf geen erfafscheiding – er stond immers al een muur. Toen de gebruiker na verloop van tijd een beroep deed op eigendomsverkrijging door verjaring, ging het hof hier niet in mee.

Het hof oordeelde dat het voor het aannemen van bezit in verjaringszaken niet van belang is dat een gebruiker er zelf van overtuigd is dat hij bezitter is:

“Ook volgt uit het geschetste kader dat de enkele aanname door [geintimeerde 2] en/of zijn rechtsvoorgangers dat de betwiste strook tot hun tuin behoorde, hoewel voor hen wellicht zeer vanzelfsprekend, niet leidt tot de inbezitneming van de betwiste strook. De louter interne wil is zonder betekenis; waar het op aan komt is of [verkoper] en (daarna) [appellanten c.s.] er op grond van voor hen te constateren uiterlijke feiten op bedacht moesten zijn dat zij hun eigendom zouden gaan verliezen.”

Bovendien oordeelde het hof dat er niet zomaar van uitgegaan mag worden dat een eigenaar zijn grondstrook prijsgeeft, zelfs niet wanneer hij een muur plaatst en hij de grondstrook daarachter nooit betreedt.

Eigen bezitshandelingen vereist voor bezit

Voor bezit is de ‘pretentie van eigendom’ vereist. Hiervoor is onder andere van belang dat de ‘feitelijke macht’ uitgeoefend wordt over een strook grond en dat de grond exclusief in handen komt van de gebruiker. In dit arrest licht het hof helder toe dat en waarom enkel de handelingen van de gebruiker zelf (of handelingen van zijn rechtsvoorgangers) relevant kunnen zijn voor de vraag of sprake is van bezit. In de onderhavige zaak werd de muur geplaatst door de eigenaar en niet door de gebruiker, waardoor op basis daarvan geen sprake kon zijn van bezit. Het zijn dus alleen de feitelijke handelingen van de in bezit nemer die relevant zijn voor de beoordeling van de rechter.

Conclusie

Bezitsdaden moeten kenbaar zijn voor de eigenaar. Een eigenaar moet op tijd in actie kunnen komen tegen het bezit van zijn eigendom door iemand anders, zodat hij hiertegen kan optreden vóórdat de verjaringstermijn is voltooid en hij mogelijk zijn eigendom verliest. Dit is waarom de interne overtuiging van het bezit van een gebruiker, niet automatisch leidt tot bezit. Als de gebruiker zijn overtuiging en de pretentie van eigendom schriftelijk mededeelt aan de eigenaar, kan dit wél bijdragen aan het beroep op bezit en verjaring.

Bovendien zijn enkel handelingen die zijn verricht door de gebruiker zelf relevant voor de vraag of sprake is van bezit. Het plaatsen van een uitbouw, muur of schutting door de eigenaar kan dus niet gekwalificeerd worden als bezitsdaad van de gebruiker. Als dit wel het geval zou zijn, dan zou dit leiden tot ernstige gebruiksbelemmeringen voor eigenaren. Indien de gebruiker in de onderhavige zaak zelf nog een schutting zou hebben geplaatst tegen de muur (en de verjaringstermijn zou zijn voltooid) dan zou zijn beroep op verjaring hoogstwaarschijnlijk wel zijn geslaagd.

Eline van Breugel

Eline van Breugel plaatste tot op heden 1 artikel

Vanaf februari 2018 ben ik werkzaam bij LiebregtsLeistra Advocaten. Ik ben in 2019 afgestudeerd op de het onderwerp schadevergoeding na bevrijdende verjaring. Direct na mijn afstuderen ben ik als advocaat beëdigd en werkzaam binnen het civiele vastgoedrecht.